|
Het porselein van Limoges in de 19e eeuw
De eerste helft van de 19e eeuw: de stichters van het porselein
Na de Franse Revolutie hernam men de productie en het aantal fabrieken in de Haute-Vienne nam snel toe. In 1827 bestonden er reeds zestien fabrieken, en in 1850 waren het er meer dan dertig. Hun geschiedenis is zeer ingewikkeld, want niet alleen is hun aantal zeer aanzienlijk, maar zij ontstonden en verdwenen naar gelang politieke en economische crises. Enkele fabrieken van naam kenmerkten deze periode, met name deze van Baignol, Pierre Tharaud, François Alluaud en van de graaf van Bonneval. Vanaf 1830 ontwikkelt de productie zich naar de decoratieve kunst onder de invloed van Parijse artiesten, waaronder de bronswerkers Aaron en Valin, terwijl er nog steeds veel tafelservies werd geproduceerd.
De tweede helft van 19e eeuw: de gouden tijd voor het porselein van Limoges De wereldtentoonstellingen waren een factor van rivaliteit en ontwikkeling voor de fabrieken. Daarom werden vanaf 1851 de producten gemerkt, zodat ze door de duizenden bezoekers van deze tentoonstellingen herkend zouden worden. Het meesterschap en de technische kennis van de fabrieken waren onbetwistbaar. Het is het tijdperk waarin de ondernemingen zich tot taak stelden om het begrip Blanc de Limoges te ontwikkelen, teneinde zowel de kwaliteit van de porseleinaarde als de perfectie van de productietechniek te roemen. De getoonde stukken zijn immers opvallend door hun perfecte vorm en hun witheid. De meest representatieve fabriek is zonder enige twijfel die van Pouyat. Het topstuk van zijn productie, het rijstkorrelservies dat tijdens de wereldtentoonstelling werd gepresenteerd, werd naar een model van de beroemde Parijse artiest Albert Dammouse verwezenlijkt. De gebruikte techniek bestaat eruit dat het porselein wordt uitgehold, waarna vervolgens de gaten worden gevuld met doorschijnend email.
Het laatste kwart van de eeuw werd door de fabriek Haviland gedomineerd. Félix Bracquemond, artistiek directeur van een onderzoekswerkplaats die door C.E. Haviland in de wijk Auteuil in Parijs werd geopend, introduceert in Limoges decors die geïnspireerd zijn op Japanse decors. Dankzij zijn Amerikaanse kantoren opende Haviland de markt aan de andere kant van de Atlantische Oceaan voor de porseleinfabrieken van Limoges.
Behalve het beroemd geworden witte porselein, ontwikkelde Limoges de techniek van het Grand Feu (bakken bij zeer hoge temperatuur) dat het mogelijk maakte om sierlijke en subtiele kleuren te verkrijgen.
Het porselein van Limoges in de 20e eeuw Het eerste deel van de 20e eeuw wordt gekenmerkt door het ontstaan van twee stijlen: Art Nouveau en Art Déco. Deze stromingen beïnvloedden de productie van porseleinbakkers die nauw met gerenommeerde artiesten samenwerkten. Het is dank zij de firma GDA dat Art Nouveau kenmerken in het porselein van Limoges werden geïntroduceerd. Samuel Bing, initiateur van deze stroming, had de onderneming bij de wereldtentoonstelling van Chicago in 1892 opgemerkt, en hij vroeg hen om de modellen van de kunstenaars Edward Colonna, Georges de Feure en Paul Jouve in porselein uit te geven. Het porselein van Limoges bevestigde zijn bekendheid in 1925 opnieuw bij de beroemde 'Exposition internationale des arts décoratifs et industriels modernes', die in Parijs wordt gehouden. Deze tentoonstelling gaf haar naam aan de stijl die zich in de jaren vanaf 1925 ontplooit: de Art Déco. Talrijke fabrieken deden een beroep op kunstenaars van naam waaronder Lalique, Dufy en Sandoz. Verschillende van de gepresenteerde serviezen stelden architectonische vormen voor, dicht tegen het kubisme aan.
De tweede helft van 20e eeuw De tweede wereldoorlog was van grote invloed op het porselein van Limoges. Porseleinmakers besloten om de productie te vernieuwen. Zij deden een beroep op ontwerpers die zowel originele als aan praktische eisen voldoende vormen ontwierpen. Zo ontwierp Raymond Loewy een servies voor Air France in 1976. Vanaf het begin van de productie tot aan onze dagen evolueren de vormen en de versieringen van het porselein tegelijk met de artistieke stijlen. Men kan zeker stellen dat de levensvatbaarheid gewaarborgd is gebleven door de wederzijdse stimulering door de artiesten en de fabrikanten.
|